Navigate / search

Pomoc – Hoofdstuk 35

In hoofdstuk 34 lazen we hoe Bettine werd verhoord. Het wantrouwen rond Marga groeide.

Henry, de whizzkid, kwam uit de controle kamer.

‘Johan, er wordt gebeld vanaf de kotter. Volgens mij moet je dit horen. Ze klinken behoorlijk paniekerig. Ze hebben eerst een aantal keren het nummer van Witteman proberen te bellen, maar krijgen alleen een voicemail.’

Samen luisterden ze naar de opnames.

‘Ze hebben nu een ander nummer gebeld.’

‘Laat maar horen Henry. Ik ben benieuwd.’

De telefoon ging een aantal malen over, waarna opgenomen werd.

‘Hallo.’

‘Kees met Baker.’

‘Hé, wat moet je?’

‘Weet je waar Witteman is?’

‘Spoor je niet lekker of zo?’

‘Hoe zo. Ik zit hier op een kotter, in een vliegende storm. We moeten ergens naar binnen, maar ik zoek Witteman.’

‘Nou red je zelf maar. Ik weet hier niks van. Witteman en twee van zijn mannen zijn overhoop geschoten en het is hier een gekkenhuis. Alles en iedereen wordt afgeluisterd of door de politie op zijn huid gezeten. Ik wil dus niet weten, waar je mee bezig bent. De mazzel.’

Er werd direct weer opgehangen.

Zoutkamp glimlachte en vertaalde, wat hij had gehoord voor Henry die het gelijk in de verslagen zette.

‘Die hebben nu echt een probleem. Ze schijten volgens mij in hun broek. Ik hoop dat je collega goede zeebenen heeft.’

François die inmiddels ook binnen was gekomen, stelde Zoutkamp gerust.

‘Als er één stalen zenuwen heeft en een flinke storm kan hebben, dan is hij het wel. Er staat een zware zuidwester storm. De kotter bevindt zich bij de ingang van Het Kanaal en daar is het altijd het ergste. Ze zullen wel proberen een Belgische haven of Rotterdam binnen te lopen.’

‘Ik zal Marga even bellen en op de hoogte brengen, dan mag zij bepalen wat er gaat gebeuren. Zolang ze er maar voor zorgt, dat Philippe niet ergens vast komt te zitten.’

Twee dagen later zat Zoutkamp ’s morgens aan zijn koffie en pakte de krant die hem, met de andere dagbladen, elke ochtend werd gebracht. Snel bladerde hij de krant door, want eigenlijk wilde hij alleen het bericht op de voorpagina lezen. Op de sportpagina na en een artikel over een arts, die een bekeuring had gekregen voor gevaarlijk gedrag, omdat hij over de vangrail van de middenberm was geklommen toen hij hulp aan het slachtoffer van een aanrijding wilde verlenen, was er weinig nieuws te melden.

De ingezonden stukken op dit artikel waren niet mis. De excuses van de korpsleiding waren wel een heel zwak aftreksel van wat de verwoording van de nieuwe waarden en normen zou moeten zijn. Had die vent gewoon ontslagen en dat bekend gemaakt. Laten we het maar de zoveelste wervingsfout noemen, dacht Zoutkamp.

Op de voorpagina stond een grote foto van een schip in een sluis.

De kop luidde: ‘Mega hasjvangst in Rotterdam.’

Het kon niet missen. Dit was de Tiram. In de voorgaande nacht was door de havendienst, voor de Rozenburgse sluis in Rotterdam, een kotter aangetroffen die verder helemaal verlaten was. Niemand had er ook mensen op gezien. Toen de ingeschakelde politie een onderzoek instelde op de kotter sloeg een meegebrachte drugshond aan. In de kotter vond de politie 1500 kilo hasj, verstopt achter de diverse schotten. Er werd echter met geen woord gerept over de hasjolie. Het onderzoek had nog geen enkele aanwijzing over de herkomst opgeleverd.

Zoutkamp belde Marga.

‘Heb je de kranten gelezen?’

‘Ja, ik zag een mooie foto van een kotter en heb besloten er nog even niets aan te doen. Wil jij de collega’s in Rotterdam een anonieme tip sturen over die kotter. Laat ze maar weten waar de kotter vandaan komt. Ze moeten maar eens bij Dikstra informeren naar die zaak. Dan laten we hem even zweten, want die sukkel weet nergens van. Dan moet hij wel te biecht bij Dirk. Ik zal zorgen dat Dirk de recherche van Rotterdam een uitgebreid verslag overhandigt, met alle gegevens die we over de kotter hebben. Als het even kan, zal ik zorgen dat ik er zelf bij ben.’

‘Veel plezier, Marga en doe Dirk de groeten,’ zei Zoutkamp lachend en hing op.

Een paar uur later meldde Philippe zich bij François.

Nadat ze in de storm terecht waren gekomen, was een lichte paniek uitgebroken en had hij letterlijk en figuurlijk het roer over genomen. In overleg met Baker werd besloten Rotterdam binnen te lopen. Ze wilden per se niet naar een Engelse of Belgische haven en Rotterdam zouden ze ’s nachts kunnen binnenlopen. Dat was met veel moeite uiteindelijk gelukt. Er was een luik weggeslagen en de motorkamer liep vol water. Als een gek pompend, hadden ze het water bij de motor weg kunnen houden. Het had geen uur langer moeten duren en ze waren er onderdoor gegaan.

Toen ze voor een dichte sluis waren beland, hadden ze snel afgemeerd, hun spullen gepakt en waren de wijk ingelopen. Ze waren ieder een kant op gegaan. Philipe had zijn volledige gage gekregen. Na een paar uur lopen, was hij aan een grote weg gekomen en had hij bij een tankstation een lift gekregen naar Antwerpen. Hij had er geen idee van, waar de andere twee heen waren gegaan. In Antwerpen was hij op de trein gestapt naar Brussel en vandaar met de TGV naar Nice gereden. Hij had geen enkel spoor achtergelaten en ze zouden hem nooit vinden.

Zoutkamp pleegde een telefoontje en het duurde geen uur, voordat Dikstra werd gebeld. De gang naar Dirk moest voor hem zo’n beetje de laatste marteling zijn die hem kon worden aangedaan. Niets van een zaak weten en te rade moeten gaan bij een lokaal rechercheurtje. Hij huiverde al bij de gedachte.

Dirk had hem beleefd aan de telefoon te woord gestaan en gezegd dat hij ’s middags maar even langs moest komen. Dikstra wist niet dat de Rotterdamse rechercheurs al verder gegaan waren en Dirk hadden gesproken.

 

Deze blogpost is ook beschikbaar in het Pools (Polski).